Dierenwelzijn: wat zijn de vijf vrijheden?

De meeste huisdieren hebben een dak boven hun hoofd en een bakje water en voer. Maar is hiermee hun welzijn volledig in orde?

Helaas is er nog vrij weinig kennis over de vijf vrijheden die bepalen hoe goed het welzijn van je huisdier zit: of dat nu een hond, kat, knaagdier, konijn, paard, vogel of nog een andere soort is. Geen zorgen, je leert er hieronder alles over.

De vijf vrijheden

In de jaren ’60 ontstond het concept ‘The Five Freedoms’, oorspronkelijk ontwikkeld door het Farm Animal Welfare Council in het Verenigd Koninkrijk en ondertussen al regelmatig geüpdatet. Hoewel het eerst enkel over landbouwdieren ging, geldt de inhoud nu ook voor huisdieren.

De vijf vrijheden spelen in op dieet, omgeving, gezondheid, gezelschap en gedrag. Deze vrijheden, oftewel ‘soortspecifieke noden’, moeten altijd aangepast worden aan het individu.

1. Dieet

Het dier moet vrij zijn van honger en dorst en dus altijd toegang hebben tot water en gezonde, krachtgevende voeding.

Voor een kat met suikerziekte is dit dus andere voeding dan voor een kat zonder onderliggende gezondheidsproblemen.

2. Omgeving

Het dier moet vrij zijn van ongemak. Dit kan door een geschikte omgeving te voorzien.

Zo is het bijvoorbeeld belangrijk dat de temperatuur voor je dier goed is en het dier dus geen kou of hitte ervaart. Maar ook de bodembedekking, de grootte van het hok of de wei, enz. zijn belangrijk.

3. Gezondheid

Het dier moet vrij zijn van pijn, verwonding en ziekte door preventie van ziekte of een snelle diagnose en behandeling.

Het gedrag van je dier kan hier een héél goede indicator voor zijn. Zie je een plotse gedragsverandering? Plast je kat bijvoorbeeld plots naast de kattenbak? Denk dan altijd éérst aan iets medisch. Als de dierenarts geen onderliggend probleem vindt, ben je welkom op beroep te doen op mijn gedragsdiensten.

4. Gezelschap

Het dier moet vrij zijn om normaal gedrag te kunnen uiten. Dit kan wanneer er voldoende ruimte voor het dier is voorzien, de juiste omgevingsverrijking en het geschikte gezelschap voor die specifieke soort.

Natuurlijk gedrag is heel breed, maar het gaat er eigenlijk om dat je dier het gedrag moet kunnen vertonen dat typisch is voor die soort. Denk aan een kat die krabt, in bomen klimt, jaagt, … en een hond die veel beweging krijgt, nooit lang alleen is, …

Heel vaak wordt krabben of miauwen als een gedragsprobleem gezien, maar onthoud: het gaat hier eigenlijk om heel natuurlijk gedrag. Wel kunnen we dan spreken van problematisch gedrag, omdat het in een specifieke situatie voor veel overlast kan zorgen. Het doel van KALLIE. is dan om te kijken naar de onderliggende emotie bij het gedrag en bv. het krabben te kunnen laten plaatsvinden op gewenste plaatsen. Op die manier kan de kat toch aan die krabnood voldoen en ervaren de eigenaars geen overlast. Hetzelfde met overmatig blaffen bij de hond of knagen aan de tralies bij een cavia of konijn.

Geschikt gezelschap is ook een belangrijke factor. In dit artikel vertelde ik bijvoorbeeld al hoe belangrijk het is dat cavia’s, maar ook konijnen, ratten, muizen, enz., met twee gehouden worden. In Zwitserland is het zelfs illegaal om een cavia alleen te houden.

Wat katten betreft, is de nood aan gezelschap heel individueel. Sommige katten zijn echt liever alleen, terwijl anderen veel baat hebben bij een maatje. Over het algemeen kan je stellen dat de meeste volwassen katten het prima vinden als enige kat, tenzij ze anders gewend zijn én mits de juiste aandacht vanuit het baasje.

Wil je er toch een tweede kat bij zetten, besef dan dat je eerst moet zorgen dat de omgeving van de eerste kat daarop voorzien is, zodat er geen conflicten ontstaan. Door te zorgen dat de eerste kat van alles genoeg heeft (kattenbak, voedsel, schuilplaatsen, waterbakjes, … algemeen), maak je de kans groter dat hij zal willen delen met een andere kat. Daarna is een gepaste introductie van de twee katten ook heel belangrijk om de kans op vredig samenleven te vergroten. Dit is (katten)voer voor een ander artikel, maar als je in zulke situatie zit, kan je altijd beroep op me doen.

Voor kittens zit het weer net iets anders: zij hebben er baat bij om samen met een andere kitten geplaatst te worden, zeker omdat ze al op jonge leeftijd het nest verlaten en dus nog veel van elkaar kunnen leren.

Ook honden zijn heel sociaal, maar opnieuw is het nodig om naar het individu te kijken. Soms kan een bepaalde traumatische ervaring ervoor zorgen dat je hond zich meer op zijn gemak voelt als enige hond in huis. Anderzijds kan er bij sociale honden ook buitenshuis met andere honden worden afgesproken. Observeer je hond: zo leer je hem het beste kennen en kan je beter voorzien in zijn specifieke noden.

5. Gedrag

Het dier moet vrij zijn van angst en stress, door omstandigheden te voorzien waarin zo weinig mogelijk mentaal leed kan plaatsvinden.

Natuurlijk heeft elk dier wel eens stress, het belangrijkste is dat hij manieren heeft om met die stress om te gaan.

Je kan stress al serieus verlagen door een omgeving te voorzien waarin het dier natuurlijk gedrag kan uiten. Voor een kat kan dat bijvoorbeeld inhouden dat je hoogtes voorziet in huis of haar laat jagen achter haar eten, voor een knaagdier kan dat inhouden dat je geschikte knaagvoorwerpen voorziet en voor een hond betekent dat bijvoorbeeld dat je geschikt kauwmateriaal geeft of mentale uitdaging biedt.

Bron: ASPCA

Dit artikel is geïnspireerd door Companion Animal Psychology.

Voor spullen die je dier helpen om natuurlijk gedrag uit te voeren, kan je terecht in de KALLIE.shop.

Voor hulp omtrent het gedrag van je dier, kan je KALLIE. dierengedragstherapie inschakelen.

Groetjes,
Jozefien

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s